Wintervertelling

spindelmuhle-medium

Timbo is onze held, híj was onze kok, híj was het die met een paar onooglijke ingrediënten de lekkerste gerechten bereidde.

Stelt u zich eens voor, de armzalige aardappelen die wij hier uit de grond halen en waarmee wij onze kelders vullen; het schaap dat al weken bevroren in de boom hangt; de kool die wij in onze modderige volkstuintjes verbouwen.

Wij waren altijd hongerig en wisten ons met ons eten geen raad, tot op een avond Timbo verscheen.

Niemand wist precies hoe hij in ons dorp verzeild was geraakt. Er was zoveel sneeuw gevallen dat er al dagen geen treinen meer reden. Sommigen beweerden dat ze hem op de provinciale weg uit de sneeuwschuiver hadden zien stappen, anderen hielden vol dat hij met een lege jerrycan het dorp in was komen wandelen. Hoe het ook zij, op een avond klopte Timbo aan de deur van het café waarin wij bijeenkwamen, vertelde dat hij verdwaald was en dat hij het koud had, erg koud.

Timbo was een armoedzaaier, dat zagen wij meteen, maar wij verjoegen hem niet zoals wij gewoonlijk met vreemden doen. Wij wezen hem een stoel bij de kachel. Timbo ging zitten, zijn ogen vielen dicht, hij sliep meteen in. Wij pakten de draad van onze gesprekken weer op en het duurde niet lang of we zouden hem vergeten zijn als hij in zijn slaap niet als een varkentje geknord had.

Toen Timbo wakker werd had hij weer wat kleur op zijn wangen. Hij maakte aanstalten op te staan. Wij boden hem aan bij ons te overnachten. Nee nee, zei Timbo en hij bedankte ons met een buiging, nee nee, hij voelde zich nu beter en wilde iets voor ons terugdoen. Dat hoeft niet, zeiden wij. Ik sta erop, antwoordde hij. Wat had hij ons te bieden dan? Kok was hij, dus zou hij voor ons koken.

Wij hadden honger en moesten hoe dan ook wat eten, daarom haalden we tevoorschijn wat we in huis hadden. De een kwam terug met een jute zak vol aardappelen; een ander ging de donkere tuin in en zaagde een stuk van het schaap; weer een ander – we wisten van hem dat hij hamsterde, een vrek was het – kwam zowaar terug met een stuk boter. Wij legden onze bijdragen op de toog en in de keuken ging Timbo aan het werk.

We hoorden hoe de messen geslepen werden – hoe lang was dat niet geleden!; het rammelen van pannen, het spetteren van boter in de braadslee. Het duurde niet lang of de heerlijkste luchtjes kwamen het café in.

Wij zijn een spraakzaam volkje, door druk en veel te praten proberen wij de honger te overstemmen die in ons binnenste knaagt. Dit keer echter werd het heel stil in het café. Wij keken elkaar aan, luisterden zwijgend naar de geluiden die uit de keuken kwamen, en wachtten af.

Ook in de keuken was het nu stil geworden.

Ilse, het knappe barmeisje, stond op en ging kijken.

Wij verwachtten een wonder, zo ver was het met ons gekomen, we waren onze eigenlijke honger helemaal vergeten. En ook al wisten we dat Timbo alleen een zak aardappelen had, en een bevroren stuk van het schaap, en een paar ingedroogde kolen; toch leek het of er iets te gebeuren stond dat onze hoge verwachtingen nog zou overtreffen.

De deur van de keuken zwaaide open. Ilse verscheen in de deuropening, een houten dienblad in haar handen. Reikhalzend keken we ernaar uit. Dit zijn ze, zei Ilse, dit zijn de gerechten, en ze gaf een knikje naar het dienblad waarop grote schalen stonden waar de damp vanaf sloeg.

Hoera voor Timbo! riep een van ons plotseling, en nu konden wij onze geestdrift niet meer beteugelen, we riepen allemaal: Bravo voor Timbo!

Ilse diende op en wij beaamden, terwijl wij smakkend naar elkaar knikten, dat het ongelooflijk was wat hier was gebeurd, zo lekker hadden wij nog nooit gegeten. Wat was het vlees mals en pittig, dat dat ons eigen schaap was! – en wat waren de aardappelen stevig, precies goed! – en de boter op de kool smolt op onze tong. Wij aten zoals wij nog nooit hadden gegeten, wij waren vergeten dat zoiets bestond!

De schalen waren leeg, wij likten onze lippen af, er werden grapjes gemaakt, er werd gelachen, wij hadden geen honger meer, wij waren helemaal voldaan. Nu wilden we Timbo zien, we wilden hem bedanken, waar was hij eigenlijk? Ilse! riep er één, ga hem halen, zodat we hem kunnen bedanken! Ilse ging de keuken weer in. Wij keken gespannen naar de deur, het duurde lang, waar bleven ze nou?

Daar verscheen Ilse, verwonderd keek ze ons aan. Ze zei: Ik ging de keuken in, de deur naar buiten stond nog open. Ik zag voetstappen in de sneeuw, ze leidden naar de weg. Die ben ik gegaan, en ik keek naar links en ik keek naar rechts. Maar het was zo donker, en van hem geen spoor. Ik zag hem al niet meer – en het sneeuwt weer.

(Uit: De platanen in Aix. Amsterdam: Gopher 2014. Meer informatie onder Publicaties.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s