De relevantie van Norbert Elias

norbert-elias-medium

Mijn vrouw is documentalist bij IHLIA LGBT Heritage, voorheen Internationaal Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief.

IHLIA krijgt vaak losse boeken en soms zelfs hele collecties als schenking. Alle boeken worden gecontroleerd op hun LGBT-relevantie. Zijn ze relevant, dan worden ze toegevoegd aan de collectie, inmiddels de grootste in Europa. Zijn ze niet relevant, dan gaan ze naar de kringloop.

Een paar weken geleden gingen we lunchen bij La Place in de Openbare Bibliotheek Amsterdam, waar ook IHLIA gehuisvest is. Daar zag ik in haar postbakje een boek liggen: De geschiedenis van Norbert Elias.

Norbert Elias!

De beroemde socioloog, in 1897 geboren in Breslau en in 1990 gestorven in Amsterdam. Auteur van de invloedrijke studie over beschaving, waarin de geschiedenis gezien wordt als een proces waarin mensen zich met vallen en opstaan steeds beter weten te beheersen.

Ik kende Norbert Elias, omdat ik in die tijd zelf sociologie studeerde. In Utrecht was het vak Amerikaans georiënteerd en je voelde er altijd enige competitie met de Amsterdamse School, waarop Norbert Elias als beroemde nog levende socioloog zoveel invloed had.

‘Waarom hebben jullie dit boek, was hij dan homo?’ vroeg ik. ‘Geen idee,’ zei mijn vrouw. ‘We hebben het gekregen. Ik heb het nog niet bekeken.’ ‘Ik ga het lezen,’ zei ik. ‘Dan kijk ik of hij relevant is.’

De geschiedenis van Norbert Elias is geschreven door meerdere auteurs. De hoofdmoot wordt gevormd door een autobiografische tekst van Norbert Elias zelf. De titel luidt: Notities bij mijn levensloop.

Ik kwam er niet doorheen.

Een wat droge tekst die wel persoonlijk bedoeld is maar toch niet echt persoonlijk wil worden en die verstoken is van, laat ik het maar even zo noemen, smeuïge details, persoonlijke ontboezemingen, eigenlijk al een hint.

De Notities bij mijn levensloop liet ik voor wat ze waren en ik begon aan het lange interview dat de bundel zijn titel gaf: De geschiedenis van Norbert Elias.

Dat was wél interessant.

Nu, een week nadat ik het gelezen heb, is de tekst als het ware door een filter gedruppeld en dit is er overgebleven: drie momenten uit het leven van Norbert Elias.

Allereerst Breslau, waar Norbert Elias opgroeit als enig kind in een goed milieu. Over zijn herinneringen aan zijn jeugd in Breslau, toentertijd Pruisisch grondgebied, tegenwoordig Polen, ligt het wonderlijke strijklicht van een vredige wereld die ineens bruut ophoudt te bestaan.

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Norbert Elias opgeroepen. Hij is achttien jaar. Na een lange treinreis wordt hij op een vrachtwagen naar het front gereden, middenin de nacht, en aan de horizon weerlicht en rommelt het, of het er onweert. Vertellen wat hij vervolgens meemaakt, kan hij niet.

Tenslotte 1938. Norbert Elias is op tijd gevlucht uit Duitsland en schrijft zijn beroemd geworden studie over het civilisatieproces. Zijn ouders komen hem in 1938 opzoeken in Londen. En hoe hij ook op hen inpraat, hij kan hen er niet van weerhouden terug te keren naar Polen, waar ze worden vermoord.

Drie momenten, beelden bijna, die zich in mijn geheugen hebben gegrift.

De geschiedenis van Norbert Elias is, in tegenstelling tot het autobiografische stuk, spannend, omdat de beide interviewers soms doorvragen, ook waar Elias zelf liever wil zwijgen, en dat leidt tot een tweede hint voor de relevantie van Norbert Elias.

Over zijn verblijf als wetenschapper in Ghana zegt hij: ‘Dat was altijd een van de eerste vragen: Waar heb je je vrouw gelaten, waar zijn je kinderen? Dat ik geen vrouw had, vonden ze onbegrijpelijk en onvoorstelbaar.’ Meer wil hij er niet over zeggen.

Omdat ik met zoveel plezier aan het lezen ben, tikt mijn vrouw ondertussen een tweede boek op de kop: Over Elias, Herinneringen en anekdotes. Een reeks persoonlijke herinneringen, na Norbert Elias’ dood geschreven door zijn assistenten, vrienden en bekenden.

Via deze persoonlijke verhalen en anekdotes komt Norbert Elias veel meer dan in het eerste boek tot leven. Klein, gedrongen, groot hoofd, kaal, grote bril, erudiet, zeer oud. En ook: zeer beminnelijk, verstrooid, jeugdig van geest, maar ook een hoarder, die temidden van een ongelooflijke chaos woont en werkt.

Maar dan die homo-relevantie. Ik vind niet meer dan minieme aanwijzingen. Bijvoorbeeld in een anekdote van de Amsterdamse socioloog Abram de Swaan, die op een gegeven moment de moed vat om de volgende vraag te stellen, ik citeer:

Abram de Swaan: If I were to ask you, Mr. Elias, what is your home, what would you answer?
Norbert Elias: (…) I don’t know what you mean by home… I couldn’t combine… family life with my work, it never worked in practice… it did not work, I mean the last friend with whom I lived together, obviously… a doctor… jealous of the way I had to shut myself off and do my own thing so it did not work, maybe, one can not generalize but I mean this is how it happened.

Ja, en wat zegt dit? Feitelijk ook nog niet heel veel.

En dan is er nog een anekdote van een van de laatste assistenten. Het is kerstmis 1989 en Norbert Elias wil eigenlijk graag doorwerken wat hier betekent: dicteren, want hij was toen al nagenoeg doof en blind. Zijn assistent verzekert hem dat dat geen probleem is en vertelt:

‘Ik had niet verwacht Norbert in een echte kerststemming aan te treffen. Hij was vrolijk en had een kerstgeschenk voor mij. Het was zijn gedichtenbundel. Met vulpen schreef hij er een gedicht in: ‘Für Kyong, deren junger Stolz und deren Güte des alten Mannes Herz wärmt, …’. Samen lazen we zijn gedichten.’

Dus ja, relevant of niet? Ik weet het niet. Doet dat ertoe? Jazeker, want in het ene geval verhuizen beide boeken naar het grootste LGBT-archief van Europa, terwijl in het andere geval een overvolle plank in een kringloopwinkel wacht.

Of is er een derde weg? Een derde mogelijkheid, die we bij monde van Norbert Elias zelf aanbevolen horen worden, in de door zijn vrienden zo geliefde uitdrukking, die hij klaarblijkelijk onuitputtelijk bezigde:

One should investigate.

Meer informatie
De geschiedenis van Norbert Elias. Amsterdam: Meulenhoff, 1987.
Over Elias – Herinneringen en anekdotes. Amsterdam: Het Spinhuis, 1993.

Waterman

waterman-medium

‘Euhh, ik heb een Waterman vulpen. Twintig jaar geleden voor het laatst gebruikt. Zou die het nog doen?’
‘Jawel, dan moet u het voorste deel een paar dagen in koud water leggen.’
‘Bestaan er dan nog inktpatronen voor?’
‘Jazeker, wilt u zwart, blauw, of blauwzwart?’
‘Nou ja, doet u mij dan maar een doosje blauwzwart.’

Een paar weken geleden stond ik voor de toonbank van kantoorboekhandel Van Der Heijde in de Amsterdamse Langebrugsteeg. We hadden net een luxe balpen gekocht voor mijn 91-jarige schoonvader en waren klaar. En toen flapte ik dit er dus uit.

Mijn Waterman vulpen. Die had ik, inderdaad, in geen eeuwigheid gebruikt. Wist niet eens precies waar hij was. Lag hij nog ergens thuis, of was hij naar de opslag gegaan? Dat laatste waarschijnlijk.

Het volgende weekend reden we erheen. En, ongelooflijk, in de tweede bewaardoos die ik opende zat een archiefdoos, en in die archiefdoos zat een leren etuitje, en in dat leren etuitje zat de vulpen.

Ik kocht hem in 1992 in een kantoorboekwinkel aan de Utrechtse Oudegracht. Hij was belachelijk duur. Een onverantwoorde uitgave voor de student die ik toen was. Maar ik had een beetje geld gekregen uit een erfenis en ik besloot iets te kopen waar ik mijn hele leven plezier van zou hebben.

Ik hield toen al van schrijven. Droomde ervan ooit schrijver te worden. Ik schreef gewoon met een balpen of op de oude schrijfmachine die ik voor een habbekrats gekocht had en waarvan één letter — ik weet niet meer welke — soms haperde. Maar een vulpen, die had ik niet, en ja, die zou ik wel willen hebben, maar dan moest het wel een Waterman zijn.

Een Waterman vulpen. Dat chique Parijse merk dat voor Nederlanders zo makkelijk is uit te spreken. Waarom juist een Waterman? Daarvoor moet ik nog weer verder terug, naar de kern van dit verhaal, naar de lente van 1989.

Ik ben eenentwintig en kijk samen met mijn vader naar de vierdelige televisieserie Nauwgezet en wanhopig. In dit programma van televisiemaker Wim Kayzer vertellen George Steiner, György Konrád, Gabriel García Márquez en Jorge Semprun over hun leven. Van herinneringen aan de vroegste kinderjaren tot aan het heden waarbij de grote levensvragen aan bod komen.

Mijn vader en ik zitten ademloos aan de buis gekluisterd, in het bijzonder bij de Britse hoogleraar George Steiner en de Hongaarse schrijver György Konrád. En dan zegt George Steiner het volgende. Ik kan dit hier reproduceren, omdat mijn vader mij na afloop de vier boekjes van Nauwgezet en wanhopig cadeau heeft gedaan, ik hoef het dus maar over te schrijven.

Steiner: Ik had een Waterman vulpen gekregen, een buitensporige luxe.
Kayzer: Roomkleurig, bruin..?

Steiner: Bruin. Een bruine Waterman met een gouden randje. Met een opschrijfboekje. Ik weet nog hoe ik schreef…
Kayzer: U was toen..?

Steiner: Vijf. (…) Toen kwam er een fantastische vrouw, een Schotse, mij lesgeven in Shakespeare.
Kayzer: Het begin van een grote liefde?
Steiner: Een grote passie. Zij liet me stukken uit mijn hoofd leren. En al gebruikt u verder niets van dit interview, dit hopelijk wel: Culturen waarin kinderen niets uit het hoofd leren, vernietigen heden en verleden. Je houdt alleen van wat je onthoudt. Vandaar: “onthouden”. Wat je onthoudt kan je nooit worden afgenomen. Je kunt in een duistere kamer zitten, bang, ziek, opgesloten en je draagt de bagage van de vrijheid in je: wat je onthouden hebt. Nog steeds probeer ik dingen uit het hoofd te leren. Uit liefde, omdat het prettig is. Het geheugen is een spier, en net als armen en benen verslapt het als je het niet gebruikt.

Mijn vader, die toen al ziek was, heeft deze zinnen, vanaf “Je houdt alleen van wat je onthoudt”, in een notitieboekje opgeschreven. Ze zijn tijdens zijn uitvaart voorgelezen.

Van die vier televisieavonden in de lente van 1989, waarin wij samen keken en praatten na afloop, is de Waterman vulpen als symbool overgebleven.

Toen ik jaren later in Utrecht bij de kantoorboekwinkel aan de Oudegracht naar een vulpen vroeg, en vertelde dat hij best iets mocht kosten, koos ik geen bruine Waterman, ik was immers George Steiner niet. Het werd een zwarte, wel met een gouden randje.

Een pen, te luxe om mee te schrijven. Een symbool van iets dat eigenlijk te groot was. Dus ik schreef — paradoxaal genoeg — met andere pennen, goedkope pennen, en bijna nooit met mijn Waterman. En toen kwam de computer en veranderde alles. De Waterman kwam niet meer uit het leren etuitje en verhuisde later in een archiefdoos naar de opslag.

En daar lag hij totdat ik mezelf daar voor de toonbank van kantoorboekhandel Van Der Heijde ineens die vraag hoorde stellen:

‘Euhh, ik heb een Waterman vulpen. Twintig jaar geleden voor het laatst gebruikt. Zou die het nog doen?’

Meer informatie
Nauwgezet en wanhopig

Storytelling leren

story-medium

Storytelling is hot. Maar wat ís het eigenlijk? Ja, verhalen vertellen, maar wat voor verhalen? En hoe doe je dat? Ik volgde een training bij Nobbe Mieras. Wat leer je daar?

Om kwart over negen arriveer ik op de Zuidas bij het chique Crowne Plaza waar de training gegeven wordt.

De eerste verrassing is het kleine zaaltje, waar maar vijf cursusmappen klaarliggen. Mijn medecursisten zijn een pr-consultant, een jurist, een ICT’er en een contractmanager. We maken kennis en dan gaan we, hop, aan de slag.

Verhalen vertellen is van alle tijden en van alle culturen, maar storytelling is specifieker. Het doel is om mensen in beweging te brengen. Door een appèl op angst of op hoop. Een agressieve scène uit The Wolf of Wall Street en de beroemde toespraak van Martin Luther King illustreren het.

Hoe werken verhalen eigenlijk? Dat gaan we ervaren. Sluit je ogen en open je rechterhand, vertelt onze trainster. Stel je een citroen voor. Voel het gewicht. Breng je hand naar je neus en ruik aan de citroen. Bijna allemaal ruiken we citroen. De laatste tien jaar wordt hier veel onderzoek naar gedaan. Iemand die ijs ziet eten heeft bijna dezelfde hersenactiviteit als iemand die daadwerkelijk ijs eet.

Zo werken goede verhalen ook.

We hebben allemaal een presentatie meegenomen die we vandaag gaan verrijken met storytelling. We volgen een stappenplan waarvan de eerste de belangrijkste is: de moraal van het verhaal. Die heeft altijd de vorm als-dan. Als we onze dijken nu niet verhogen, dan bestaat Nederland straks niet meer. Het klinkt wat kinderachtig, maar het wordt al gauw duidelijk wat het verschil is tussen een verhaal zonder moraal en een verhaal met moraal. Het een is oeverloos, het andere gefocust.

We leren dat twee soorten verhalen een moraal tot leven kunnen brengen: een anekdote en een analogie. Met een van beide — we mogen zelf kiezen — gaan we aan de slag. Ik kies voor een anekdote over Kodak dat aan de wieg stond van de digitale fotografie, maar verzuimde de uitvinding te vermarkten. Dat moet mijn moraal illustreren: als je niet digitaliseert verlies je je klanten.

Oké, maar wat is dat appèl dan dat mensen in beweging brengt? Onze trainster maakt een verrassende vergelijking met een olifant. Zijn mensen al in beweging, richt je dan op de ratio (=berijder). Moeten mensen nog in beweging komen, richt je dan op de emotie (=olifant).

Stapje na stapje werken we ons verhaal uit. Ondertussen bespreken we filmpjes waarin de spreker het goed of juist goed fout doet. Vanwege het beeldende detail van de big church hat zíen we de kleine vrouw van zestig in Barack Obama’s beroemde Fired Up? Ready To Go!

Halverwege de middag. We zijn er nu bijna. We leren dat je de eerste en de laatste zin van je verhaal vastlegt en dat je het verhaal zelf uit je hoofd vertelt. Dat je het een keer of vijf moet vertellen voordat het goed ingeslepen is. Dat je al doende merkt dat sommige dingen er beter uit kunnen en andere er juist in moeten.

En dan is het zover: een voor een staan we voor de groep en vertellen we ons verhaal. Uit het hoofd. Presenteren vind ik niet per se leuk. Maar hier in dit kleine zaaltje met mijn vier medecursisten is het anders dan anders. Na afloop begin ik me te realiseren dat ik iets belangrijks geleerd heb.

Ik ga dit leuk vinden. En met dit elixer, om in storytelling jargon te blijven, nemen we afscheid van elkaar en keer ik, meer dan voldaan, naar huis terug.

Uitzicht

nicéphore-niépce-medium

Mijn vrouw kwam gisteren van de vrijmarkt met een stapeltje boeken. Voor mij had ze een geschiedenis van de fotografie gescoord: een ongelezen exemplaar van Hans-Michael Koetzle’s Photo Icons, The Story Behind the Pictures, 1827—1991.

Louis-Jacques-Mandé Daguerre wordt algemeen beschouwd als uitvinder van de fotografie. Over het procédé van de naar hem vernoemde daguerreotypie vertelt Wikipedia:

Bij daguerreotypie wordt een gepolijste, verzilverd koperen plaat gebruikt. Deze wordt lichtgevoelig gemaakt met jodiumdampen. Deze levert na blootstelling aan kwikdampen (ontwikkelen) positieve, spiegelende beelden. Het beeld wordt gefixeerd in een zoutoplossing, en dan afgespoeld met water.

Maar Louis-Jacques-Mandé Daguerre staat als tweede in de index van Photo Icons. Hij moet een andere Fransman boven zich dulden: Nicéphore Niéce, die tien jaar eerder een fotografisch beeld van de werkelijkheid wist vast te leggen met een methode die hij heliografie noemde, ‘schrijven met de zon’. Wikipedia zegt daarover:

Bekend is dat hij in 1822 zijn eerste foto produceert dankzij een stof die hij ontdekt (Syrisch asfalt) die weliswaar oplosbaar is in terpentijn, maar na lange belichting niet meer oplosbaar is. Zo ontstond in 1826 een foto, genomen vanuit het venster van zijn werkkamer, met een belichtingstijd van acht uur.

Dat is de bovenstaande afbeelding, Point de vue du Gras, de allereerste foto ter wereld. Uitzicht, vastgelegd op asfalt. Wow!

Meer informatie
Joseph Nicéphore Niépce (Wikipedia)

Amy Winehouse: A Family Portrait

amy-winehouse-a-family-portrait-medium

Zaterdagochtend. We staan voor de ingang van het Jewish Museum in Londen. Het museum ligt in Camden, de drukke en levendige wijk waar Amy Winehouse woonde tot haar dood in 2011.

In de hal spat ze van de muur in schilderingen gemaakt door straatkunstenaar Pegasus. Dit is het vertrekpunt van een street art wandelroute door Camden. Maar we komen voor Amy Winehouse: A Family Portrait, en daarvoor moeten we naar boven, naar de derde verdieping.

Daar worden we begroet door een muurposter waarop ze ons aankijkt, leunend tegen de schouw van haar huis. Op een groot beeldscherm speelt een geluidloze video. Er hangen hoofdtelefoons en er staan witte fauteuiltjes. Maar naar een beeldscherm kijken doen we genoeg, dat kan wel even wachten.

Voordat we de tentoonstellingsruimte betreden, lezen we de tekst op de muur. Die is van Amy’s oudere broer Alex, die de tentoonstelling samenstelde.

This is not a shrine or a memorial to someone who has died. Amy might have been the most famous person in our family, but, as will become clear, she was not the centre of it. None of us are. We are a family with a colourful and eventful past, present and future. Babies are born, people get married, they get old (should they live so long) and then they’ll die.

This isn’t an attempt to tell people what my sister was like, or what kind of people my grandparents were, or to force my opinions on you. This is a snapshot of a girl who was, to her deepest core, simply a little Jewish kid from North London with a big talent who, more than anything, just wanted to be true to her heritage. I hope this comes through, and that you enjoy taking in what it means to be a Winehouse, Seaton, Gordon, and Richman.

In de tentoonstellingsruimte speelt muziek. De ruimte is licht en wit en niet veel groter dan een royaal uitgevallen woonkamer. Even bekruipt me de gedachte, is dit alles, ben ik hiervoor helemaal naar Londen gekomen? Maar de twijfel blijkt ongegrond.

De tentoonstelling is opgebouwd rond de tekst die Amy Winehouse in 1997 instuurde om toegelaten te worden tot Sylvia Young Theatre School. Ze was toen dertien jaar. De tentoonstelling volgt de tekst van het essay zin voor zin en begint als volgt:

All my life I have been loud to the point of being told to shut up. The only reason I have had to be this loud is because you have to scream to be heard in my family. My family? Yes, you read it right. My mum’s side is perfectly fine, my dad’s family are the singing, dancing, all nutty musical extravaganza.

Op de muur is de stamboom van de familie afgebeeld. Foto’s geven de namen een gezicht. Onder de lijn van Amy en Alex gaat de stamboom gewoon verder, want een nieuwe generatie heeft zich aangediend met de geboorte van Alex’ zoon.

In een kleine vitrine voor de muur met de stamboom ligt een kookboek. Het is Claudia Roden’s The Book of Jewish Food. We lezen dat Amy chicken soup wilde leren koken, het klassieke joodse gerecht, remedie voor alles. Alex gaf zijn zus het kookboek als verjaardagscadeau. Voorin schreef hij:

Dear Amy, in case of loss of faith, turn to page 75. With love, Alex.

Verderop een vitrine met Amy’s favoriete lp’s, een koffertje met cd’s, haar gitaar. Ik lees dat Alex de gitaar onbespeelbaar vond, maar dat Amy er enorm aan gehecht was. Het is deze gitaar waarmee ze poseert op de bekende foto die ook op de voorkant van de brochure van de tentoonstelling te zien is.

Pas bij de ingelijste platenhoezen tegen de achterwand krijgen de liedjes die in de tentoonstellingsruimte spelen betekenis. Het blijken Amy’s eigen favorieten. Frank Sinatra, Sarah Vaughan, maar ook The All New Mickey Mouse Club.

Verderop hangt in een glazen vitrine het blauwe jurkje waarin ze in 2008 op Glastonbury Festival optrad. Aan de muur de bijbehorende foto van het optreden. Ik lees dat de jurk zo strak zat dat ze nauwelijks kon ademhalen.

Op een tafel in het midden van de ruimte ligt een kaart van Londen met de belangrijkste plaatsen in haar leven, deels hier in Camden: de Good Mixer pub, Jeffrey’s Place, en 30 Camden Square, waar ze stierf. Er is ook een vitrine over Snoopy, de gedeelde liefde van Amy en Alex. En de koffer vol kiekjes die ze in de dagen voor haar dood bekeek.

Op het eind van de tentoonstelling hangen twee lege vogelkooitjes aan het plafond. Het vogeltje dat ze kocht ging al snel dood, maar de beide kooitjes hield ze.

Boven de laatste foto’s hangt de slotzin van de tekst waarmee ze als 13-jarige toegelaten hoopte te worden tot Sylvia Young Theatre School.

I want to be remembered for being an actress, a singer, for sell-out concerts and sell-out West-End and Broadway shows and for being just me.

En dat was het dan. Tijd om even bij te komen in een van de witte fauteuiltjes en te kijken en te luisteren naar de video. Het is deze opname van Back to Black:

Meer informatie
Jewish Museum London

Appelboom

appelboompje-medium

Ik heb geen groene vingers, maar ik hou van bomen. Daarom vond ik het erg toen ik twee jaar geleden onze appelboom moest omzagen. Hij was op sterven na dood, zag er niet uit, de blaadjes waren grijs en slap, de boom was op, zogezegd.

Onze dochter vond het net zo erg als ik toen de appelboom weg was.

Gisteren hebben we bij tuincentrum Konijnenburg in Amstelveen voor € 19,99 een nieuw appelboompje gekocht. Met blaadjes in de knop, een Japans appelboompje zou ik bijna zeggen, als op een schilderij van Van Gogh.

Gistermiddag ben ik gaan spitten, zagen, hakken, wrikken en uiteindelijk lukte het de stam van de oude appelboom uit de grond te krijgen. Wat een strijd. En op die plek heb ik toen de nieuwe appelboom geplant.

Onze dochter is nu in Parijs met een vriendin. Vanavond gaan we haar ophalen van Schiphol. Ik verheug me er zo op dat ze morgen bij daglicht ons nieuwe appelboompje ziet. Ik weet nu al dat ze net zo blij is als ik.

En wat er ook gebeurt, ik zal nooit, nooit meer een appelboom omzagen. Promise.

Hutje op de hei

renderklippen-medium

Wat een leuk artikel op nrc.nl en dan die aansprekende titel: Helpt dat hutje op de hei ter inspiratie? Een ja/nee vraag, wel wat suggestief, en de afdronk… nee, lees maar.

Toevallig zat ik zelf afgelopen weekend in een houten huisje, zowat op de hei.

Uit eigen ervaring zeg ik, ja het helpt, door niets of niemand gestoord worden in een idee of gedachte of probeersel. Dat leidt tot van alles en of het goed is, ach wie bepaalt dat, dat zien we later wel, nu niet belangrijk.

Eerst kreeg ik de kachel niet aan, maar na een hoop gedoe en veel lucifers lukte het toch. Toen werd het langzaamaan minder koud en vochtig in dat huisje, want ja, warmte is wel randvoorwaardelijk voor die inspiratie.

En toen aan de slag, serieus (vrijdagmiddag), onbekommerd (vrijdagavond), moeizaam (zaterdagochtend), in flow (zaterdagmiddag), niet (zaterdagavond) en hoe-maken-we-hier-in-godsnaam-een-eenheid-van (zondagochtend).

Ondertussen veel regen die bij tijd en wijle onbedaarlijk op het houten dak van het huisje kletterde. Inspiratiebevorderend? Nee, vooral lawaaiig. Maar ach, who cares.

Bottom line? Leve dat hutje op de hei. De lat moet natuurlijk niet te hoog liggen en het moet ook allemaal niet té serieus worden. Want dat is de dood in de pot van de inspiratie.

Maar wel een teek, vandaag pas ontdekt en verwijderd. Getver. Zo’n hutje en het slechte weer, oke, maar die natúúr!