Amy Winehouse: A Family Portrait

amy-winehouse-a-family-portrait-medium

Zaterdagochtend. We staan voor de ingang van het Jewish Museum in Londen. Het museum ligt in Camden, de drukke en levendige wijk waar Amy Winehouse woonde tot haar dood in 2011.

In de hal spat ze van de muur in schilderingen gemaakt door straatkunstenaar Pegasus. Dit is het vertrekpunt van een street art wandelroute door Camden. Maar we komen voor Amy Winehouse: A Family Portrait, en daarvoor moeten we naar boven, naar de derde verdieping.

Daar worden we begroet door een muurposter waarop ze ons aankijkt, leunend tegen de schouw van haar huis. Op een groot beeldscherm speelt een geluidloze video. Er hangen hoofdtelefoons en er staan witte fauteuiltjes. Maar naar een beeldscherm kijken doen we al genoeg, dat kan wel even wachten.

Voordat we de tentoonstellingsruimte betreden, lezen we de tekst op de muur. Die is van Amy’s oudere broer Alex, die de tentoonstelling samenstelde.

This is not a shrine or a memorial to someone who has died. Amy might have been the most famous person in our family, but, as will become clear, she was not the centre of it. None of us are. We are a family with a colourful and eventful past, present and future. Babies are born, people get married, they get old (should they live so long) and then they’ll die.

This isn’t an attempt to tell people what my sister was like, or what kind of people my grandparents were, or to force my opinions on you. This is a snapshot of a girl who was, to her deepest core, simply a little Jewish kid from North London with a big talent who, more than anything, just wanted to be true to her heritage. I hope this comes through, and that you enjoy taking in what it means to be a Winehouse, Seaton, Gordon, and Richman.

In de tentoonstellingsruimte speelt muziek. De ruimte is licht en wit en niet veel groter dan een royaal uitgevallen woonkamer. Even bekruipt me de gedachte, is dit alles, ben ik hiervoor helemaal naar Londen gekomen? Maar de twijfel blijkt ongegrond.

De tentoonstelling is opgebouwd rond de tekst die Amy Winehouse in 1997 instuurde om toegelaten te worden tot Sylvia Young Theatre School. Ze was toen dertien jaar. De tentoonstelling volgt de tekst van het essay zin voor zin en begint als volgt:

All my life I have been loud to the point of being told to shut up. The only reason I have had to be this loud is because you have to scream to be heard in my family. My family? Yes, you read it right. My mum’s side is perfectly fine, my dad’s family are the singing, dancing, all nutty musical extravaganza.

Op de muur is de stamboom van de familie afgebeeld. Foto’s geven de namen een gezicht. Onder de lijn van Amy en Alex gaat de stamboom verder, want een nieuwe generatie heeft zich aangediend met de geboorte van Alex’ zoon.

In een kleine vitrine voor de muur met de stamboom ligt een kookboek. Het is Claudia Roden’s The Book of Jewish Food. We lezen dat Amy chicken soup wilde leren koken, het klassieke joodse gerecht, remedie voor alles. Alex gaf zijn zus het kookboek als verjaardagscadeau. Voorin schreef hij:

Dear Amy, in case of loss of faith, turn to page 75. With love, Alex.

Verderop een vitrine met Amy’s favoriete lp’s, een koffertje met cd’s, haar gitaar. Ik lees dat Alex de gitaar onbespeelbaar vond, maar dat Amy er enorm aan gehecht was. Het is deze gitaar waarmee ze poseert op de bekende foto die ook op de voorkant van de brochure van de tentoonstelling te zien is.

Pas bij de ingelijste platenhoezen tegen de achterwand krijgen de liedjes die in de tentoonstellingsruimte spelen betekenis. Het blijken Amy’s eigen favorieten. Frank Sinatra, Sarah Vaughan, maar ook The All New Mickey Mouse Club.

Verderop hangt in een glazen vitrine het blauwe jurkje waarin ze in 2008 op Glastonbury Festival optrad. Aan de muur de bijbehorende foto van het optreden. Ik lees dat de jurk zo strak zat dat ze nauwelijks kon ademhalen.

Op een tafel in het midden van de ruimte ligt een kaart van Londen met de belangrijkste plaatsen in haar leven, deels hier in Camden: de Good Mixer pub, Jeffrey’s Place, en 30 Camden Square, waar ze stierf. Er is ook een vitrine over Snoopy, de gedeelde liefde van Amy en Alex. En de koffer vol kiekjes die ze in de dagen voor haar dood bekeek.

Op het eind van de tentoonstelling hangen twee lege vogelkooitjes aan het plafond. Het vogeltje dat ze kocht ging al snel dood, maar de beide kooitjes hield ze.

Boven de laatste foto’s hangt de slotzin van de tekst waarmee ze als 13-jarige toegelaten hoopte te worden tot Sylvia Young Theatre School.

I want to be remembered for being an actress, a singer, for sell-out concerts and sell-out West-End and Broadway shows and for being just me.

En dat was het dan. Tijd om even bij te komen in een van de witte fauteuiltjes en te kijken en te luisteren naar de video. Het is deze opname van Back to Black:

Meer informatie
Jewish Museum London

Alfred Brendel in Amsterdam

alfred-brendel-medium

In het NRC van afgelopen zaterdag las ik een artikel over Alfred Brendel, De Y van Yuck! – het muzikale alfabet van Alfred Brendel.

Het was zó overgeschreven uit The Guardian, mèt bronvermelding weliswaar – het is per slot van rekening het NRC.

Ik deelde de link naar het originele artikel An A-Z of the piano: Alfred Brendel’s notes from the concert hall op Facebook en voeg er hier een paar voetnoten aan toe.

In 1994 leerde ik Alfred Brendel kennen in Berlijn. Niet persoonlijk, natuurlijk, maar wacht even, ook niet muzikaal. Nee, in de boekenkast van W. bij wie ik toen logeerde (zie ook Het raadsel tijd) vond ik een boek van Alfred Brendel: Nachdenken über Musik. Op de cover zien we hem zitten op een heel oud bankje, kijkend in de lens.

De eerste zin van het boek luidt:

Dem musikalischen Interpreten, der ein weites Repertoire pflegen will, bleibt für die strenge Disziplin des Schreibens wenig Zeit.

In dit boek presenteerde Brendel zich aan mij eerst als schrijver, daarna pas als pianist.

Terug in Amsterdam kocht ik het boek bij Broekmans & Van Poppel en een paar dagen later trad Alfred Brendel op in het Concertgebouw. Ik kreeg van een vriendin die wist hoe graag ik er heen wilde een kaart cadeau. De toegangsprijzen in de serie Meesterpianisten waren ook toen al astronomisch, en alleen door haar gulle gebaar zat ik die avond in de zaal.

Alfred Brendel in Amsterdam was onvergetelijk, bijna een droom. In m’n herinnering was hij heel klein, volstrekt gewoontjes, geen enkele allure, bravoure, een kleine man die ging zitten achter een enorme vleugel en ineens begon te spelen. En het deed iets met de tijd, die wel vloeibaar leek te worden, en je wilde dat het zou duren, maar even plotseling als het begonnen was, was het ook weer voorbij. En net zo klein, onopvallend en achteloos liep hij de trap weer op en verdween. Mij – en met mij anderen – met stomheid geslagen achterlatend.

In 1995 kwam Alfred Brendel terug naar Amsterdam en ging ik nog een keer. Toen stonden de laatste drie pianosonates van Beethoven op het programma, Opus 109, 110 en 111. Ik was vast niet nieuwsgierig genoeg geweest naar die drie laatste pianosonates van Beethoven om zo’n dure toegangskaart te kopen en voor de tweede keer in zo korte tijd naar Alfred Brendel te gaan, als ik Thomas Mann’s Doctor Faustus niet had gelezen.

Want in dat adembenemende boek voert Thomas Mann de pianoleraar Wendell Kretzschmar ten tonele, die in het dorpshuis voor een handvol aanwezigen een lezing houdt over de vraag “waarom Beethoven bij de pianosonate opus 111 geen derde deel heeft geschreven”. De bladzijden die volgen behoren tot de mooiste uit het hele boek en zal ik hier niet verklappen. Maar vanaf dat moment had ik iets met de drie laatste pianosonates van Beethoven.

Dat is Alfred Brendel voor mij: het appartement in Charlottenburg, waar ik met een gevoel van verwondering een boek uit de kast trek van een man op een heel oud bankje: Nachdenken über Musik. En kort daarna, twee onvergetelijke optredens in het Concertgebouw, optredens die in mijn herinnering samengesmolten zijn tot één ervaring. En nu is Alfred Brendel bijna tachtig, hij speelt niet meer en denkt na, wat heeft een leven van muziek hem geleerd over muziek? An A-Z of the piano: Alfred Brendel’s notes from the concert hall.

Ik vroeg me af: wat zal ik erbij schrijven, toen ik op Facebook vanochtend die link deelde, en ik kon niks beters verzinnen dan:

op je tachtigste de balans opmaken in zesentwintig letters, prachtig

Auld Lang Syne – Chet Baker

chet-baker-medium

Trumpet player and singer CHET BAKER died here on May 13th 1988. He will live on in his music for anyone willing to listen and feel.

We liepen van de Zeedijk naar het station. Het sneeuwde. We passeerden een plaquette aan een gevel. Ik las, liep verder, keerde om, las opnieuw.

Dus dit was de plek.

Ik herinner me nog het NOS-journaal uit 1988 waarop verteld werd dat jazztrompettist Chet Baker uit het raam gevallen was van een Amsterdams hotel.

Niet lang daarvoor had hij opgetreden in café De Kroeg. Het was nieuwjaarsnacht 1988. De VPRO interviewde hem en maakte televisie-opnames die achteraf de laatste bleken. Je zag een oude man die helemaal op was en toch niet kon stoppen met geven.

Cool jazz versus hot jazz

Cool jazz is much more subtle. It has to be listened to very carefully.

Terugkijkend

After forty years of playing… I mean… my ideas have changed, somewhat… basically not, but… I found out a lot more about my horn… and what I could do with it… than I was aware of in 1952.

Vooruitgang

Now it’s 1988… and I have all that experience… all those years of having played behind me… so it’s normal that I would change during that time… make some progress… I hope it’s progress…

Overleven

…1987 continued to bring me a very wonderful gift, and that is that I got through it. Managed to survive. And of course I’ve had Diane with me all this year, and that was another gift that a man can really appreciate.

1988

I just hope that ’88 will… it doesn’t have to get any better, if it just stays as good as ’87 that’ll be fine…