Hello goodbye Leica

leica-medium

Af en toe krijg ik een onweerstaanbaar verlangen naar een Leica. Dan ga ik zoeken op internet. Een Leica! De ultieme kleinbeeldcamera, door grote fotografen in hun hart gesloten. De camera waarmee het in 1925 allemaal begon.

Een occasion natuurlijk, want een nieuwe Leica is onbetaalbaar. Maar welke? Een Leica IIIf uit 1950? Qua kosten te overzien, maar hij ziet er zo vreemd uit. Of een van de meetzoekercamera’s uit de M-serie?

Bijvoorbeeld de mooie Leica M3 uit 1954? Of een latere versie, zoals de Leica M4 uit 1966? Of juist de allerlaatste versie, de Leica M6 uit 1984?

Maar jee, wat zijn ze duur, zelfs na vijftig jaar nog! En dat is alleen de body, er moet ook nog een lens bij. En wat ga ik er eigenlijk mee doen? Zwart-wit negatieffilm, bestaat dat nog? En diafilm? Ja, Fuji Velvia 50, wat een prachtfilm was dat. Dan koop ik er gelijk een paar. Of nee, wacht, meteen tien.

En dan ga ik de straat op, net als al die fotografen die door hun Leica ineens bevrijd werden van de houten box op driepootstatief en de assistent die de spullen moest helpen tillen. Die met hun kleine Leica, zo totaal niet intimiderend, mensen vastlegden, straatscène’s, historische gebeurtenissen, foto’s die vervolgens overal verschenen: in galeries, in kranten, in magazines.

Oh, wat zal dat mooi zijn, fotograferen met mijn Leica! Maar toch even, waar laat ik de dia’s? Bestaan die grijze boxen nog die je zo handig stapelt? En een diaprojector, kun je daar nog aankomen? En is een ingeraamde dia te scannen, als ik eens een keer iets wil delen?

En terwijl ik op internet aan het zoeken ben, verdringen deze laatste zorgen het plezier steeds meer. Want ja, zo zal het gaan, dat is m’n voorland als ik die Leica heb. Het heeft geen zin, je kunt niet twee keer in dezelfde rivier stappen. Niet voor niets is de ontwikkeling van camera’s na 1954 gewoon doorgegaan, ook bij Leica zelf.

En terwijl ik de vele tabbladen moedeloos aan het dichtklikken ben, komt een hele nieuwe gedachte in me op. Want wacht eens even, wat was het belangrijkste woord als het om Leica gaat? Bevrijding.

Maar dan heb ik helemaal geen Leica nodig! Want ik heb een even precies gemaakte metalen camera die nog kleiner is dan de Leica! Die zo weinig intimiderend is dat werkelijk niemand er aanstoot aan neemt. Die net zo simpel is als de Leica en die een superbe kleurweergave heeft, even mooi als Velvia 50.

Ja, m’n geliefde iPhone… Ik zocht naar een Leica, en ik wist niet dat ik hem al had…

Zeven

rouge-medium

Vorig weekend was ik in Stavelot om te werken.

Overdag was er voldoende tijd om een stukje te wandelen, langs de pittoreske Ninglinspo dit keer.

’s Avonds keek ik de drie laatste films van de Poolse regisseur Kieslowski (1941-1996). Meestal sla ik de special features over, maar dit keer heb ik ook die gekeken.

De interviews met Juliette Binoche (Bleu, 1993), Julie Delpy (Blanc, 1994) en Irène Jacob (Rouge, 1994) maakten net zoveel indruk als de films zelf. Ze stammen, meen ik, uit 2001. Kieslowski overleed in 1996, dus er zat al wat afstand in tijd tussen.

Los van wat ze precies zeiden, trof me vooral hun toon, het respect en de liefde waarmee ze praatten over ‘Krzysztof’, zoals ze hem alledrie noemden.

Ik weet niet wat ik er meer over kan zeggen dan dat.

Ja, een anekdote over Rouge. Die eindigt met een gekapseisd schip tijdens noodweer in het Kanaal. Er zijn maar zeven overlevenden.

Irène Jacobs vertelt dat er kritiek kwam op dat einde, te erg, en ook ongeloofwaardig dat zes van die zeven overlevenden de hoofdrolspelers zijn van Bleu, Blanc en Rouge.

En dan vertelt ze dat dat, ja, toch ook klopt: ze overleven omdat we ze hebben mogen leren kennen, in tegenstelling tot de anderen die anoniem gebleven zijn.

En de onbekende zevende overlevende? Niemand die het zegt, je kunt het alleen denken: hijzelf. Na Rouge stopte Kieslowski met filmen. Het was klaar. Iets meer dan een jaar later overleed hij.

Meer informatie
Krzysztof Kieślowski (Wikipedia)

Little book

in-no-great-hurry-medium

Woensdag heb ik hem dan gekeken, In No Great Hurry: 13 Lessons in Life with Saul Leiter. In deze documentaire uit 2012 vertelt de Amerikaanse fotograaf Saul Leiter (1923-2013) over zijn eigen – onbelangrijkheid.

Aan de tand gevoeld over zijn professionele leven kan hij helemaal niks vinden om heel trots op te zijn, niet omdat het niet goed was, maar omdat het, in het grote geheel, zo weinig was.

En dan komt hij te spreken over zijn boek, geen idee welk boek hij bedoelt, hij noemt het zijn little book. Eerst spreekt hij zijn verbazing uit dat het boek er überhaupt gekomen is, andere fotografen verdienen een eigen boek, niet hij. Dan vervolgt hij:

The little book that I have, which seems to have touched certain people or moved people or aroused. I think that was nice.

En dat is dan het hoogtepunt van zijn professionele leven. Niet eens het little book zelf, maar wat het teweegbracht bij “certain people”. Zo kijkt Saul Leiter op 87-jarige leeftijd terug op zijn leven.

In de hele documentaire maar een kleine anekdote, maar hij trof me, raakte me, want ook ik heb mijn little book, en ik geloof dat ik kan navoelen wat Saul Leiter bedoelt. Een little book, het is weinig, en tegelijkertijd genoeg.

Meer informatie
In No Great Hurry: 13 Lessons in Life with Saul Leiter

Bleu

trois-couleurs-medium

Gisterochtend stond ik bij de bushalte. Het was kwart voor acht. De avond ervoor had ik Bleu van Krzysztof Kieslowski gezien. Op de poster in het bushokje stond de naam van de nieuwe geur van Chanel: Bleu.

Door de beslagen ruit in de badkamer, eerder die ochtend, had ik naast elkaar drie kleuren gezien. Drie mistige vlekken: blauw van een handdoek, wit van een t-shirt, rood van een handdoek.

Trois couleurs, in de volgorde van Kieslowski’s drie films: Bleu (1993), Blanc (1994), Rouge (1994).

Ik overwoog terug naar huis te gaan, een bus later te nemen, een foto te maken door de beslagen ruit. Maar de handdoeken en het t-shirt zouden er niet meer hangen. En daarom besloot ik dit wonderlijke dubbele toeval op dit weblog in woorden te bewaren.

Boterstad Oss

boterfabriek-medium

Industriestad Oss ligt halverwege ‘s-Hertogenbosch en Nijmegen. Het is een stad met een twijfelachtige reputatie. Van messentrekkers, messenstekers, de bende van Oss.

Ik kom uit Oss.

Met meer dan gewone belangstelling keek ik naar de aflevering over voedsel in de serie Onzichtbaar Nederland van de VPRO. Want daarin gaat het over Oss.

In deze aflevering wordt het volgende verhaal verteld, hierbij in mijn eigen woorden naverteld.

Oss was vanouds boterstad. Oss had namelijk een boterwaag. Die waag stond op een heuvel in een drassig gebied met weilanden waarop koeien graasden. Die heuvel werd het centrum van Oss.

Twee families legden zich toe op de boterhandel: de familie Jurgens en de familie Van den Bergh. Ze beconcurreerden elkaar op leven en dood en floreerden beiden.

De katholieke Jurgens had zijn fabrieken naast de grote kerk. De fabrieken van de joodse Van den Bergh lagen een stukje verderop.

In 1869 werd in Frankrijk de kunstboter uitgevonden. Beide fabrikanten zagen direct het potentieel en het lukte hen kort na elkaar het recept te bemachtigen.

De margarine was niet áán te slepen. Iedereen wilde margarine. Jurgens en Van den Bergh moesten de handen ineenslaan om het transport te moderniseren. Dat lukte. Er kwamen spoorvertakkingen naar de beide fabrieksterreinen.

De vraag naar margarine was echter zo groot dat ook transport per spoor ontoereikend was. Een kanaal tussen Oss en de Maas kon soelaas bieden, maar dit keer kwamen de ruziënde fabrikanten er niet uit. Ze konden het niet eens worden over de precieze locatie. Het kanaal kwam er niet.

Daarop besloot Van den Bergh om zijn fabriek naar Rotterdam te verplaatsen. Een geweldige slag voor de werkgelegenheid in Oss. Het werd nog erger toen ook Jurgens zijn fabriek naar Rotterdam verplaatste.

In Rotterdam troffen Van den Bergh en Jurgens elkaar weer en in 1927 besloten ze samen te gaan onder de naam Margarine Unie. Niet lang daarna fuseerde de Margarine Unie met de Britse zeepfabrikant Lever Brothers. Unilever was geboren.

Wat een verhaal. Een geweldig voorbeeld van storytelling. Er is natuurlijk meer te vertellen over Oss. Over de ellende na het vertrek van Van den Bergh en Jurgens. De werkeloosheid, de criminaliteit, de opkomst van de vleesverwerkende industrie en later ook de farmaceutische industrie.

Maar in de kern zie je hier de kracht van storytelling aan het werk. Alle elementen van een goed verhaal zijn aanwezig: strevende personages, een hoogoplopend conflict, een intrige, een onverwachte ontknoping, en in de slipstream: betekenis, zingeving.

Messentrekkers, messenstekers, de bende van Oss. Oke, die ook. Maar het begon met de boterstad Oss. Ja, boterstad Oss, dáár kom ik vandaan.

Unfinished

saul-leiter-medium

Saul Leiter (1923-2013). Het is lang geleden dat ik na een tentoonstelling niet kon ophouden met terugdenken aan wat ik gezien had.

Onderdeel van het retrospectief dat nu te zien is in het Antwerpse fotomuseum FoMu is een documentaire uit 2012. Saul Leiter zit in een leunstoel in zijn atelier en vertelt.

In de documentaire praat hij over zijn werk, over fotografie. Hij lijkt op de een of andere manier ook met zichzelf in gesprek, niet verwonderlijk als je zevenentachtig bent en het eind van je leven nadert.

I spent a great deal of my life being ignored. I was always very happy that way. Being ignored is a great privilige.

In de tentoonstellingsruimte is het een drukte van belang. De vibe is levendig, opgetogen zelfs. Er wordt volop genoten van wat er te zien is. Veel amateurfotografen met camera’s ook. Waar te beginnen met kijken? De foto’s zijn niet chronologisch gerangschikt. Bij de pijl dan maar.

It is not where it is or what it is that matters, but how you see it.

De eerste foto toont een jonge vrouw op straat die opkijkt met een onuitsprekelijke blik. De foto zet mij op het spoor van de gedachte dat beeldtaal werkelijk een volstrekt andere taal is dan woordtaal.

De ogenschijnlijke zwart-witfoto iets verderop opent m’n ogen en staat prompt op m’n netvlies gegrift. Een straat in New York. Een besneeuwd verkeerslicht brandt helder groen.

In dit retrospectief wordt Saul Leiter gepresenteerd als de eerste fotograaf die in kleur fotografeerde, ver voordat dit mainstream werd, en in een tijd dat er op kleur nog werd neergekeken.

Zwart-wit versus kleur. Dat heldere groen en die grauwe sneeuw. Het is niet uit te leggen, alleen te ervaren, geloof ik, door ernaar te kijken.

Hidden in the ordinary are great beauties.

Saul Leiter woonde zijn hele leven in New York. Hij kwam de stad nauwelijks uit en maakte zijn foto’s in de paar straten rond het huizenblok waar hij woonde.

Zo ook een andere foto, blijkbaar, aan het slot van de tentoonstelling. Een straat in New York, misschien wel dezelfde, wie zal het zeggen. Rechts, opnieuw, een besneeuwd verkeerslicht. Links een man en een vrouw, de vrouw in een rode jas en met een rode paraplu. Het rood van haar jas en het rood van haar paraplu zijn rood zoals het verkeerslicht groen is en verder is alles grauw.

Photographs are often treated as important moments, but really they are little fragments and souvenirs of an unfinished world.

Er lijkt zoveel meer over te zeggen. Maar ik ga nu eerst op zoek naar die documentaire, In No Great Hurry: 13 Lessons in Life with Saul Leiter.

Etten

van-gogh-herinnering-aan-de-tuin-in-etten-medium

’s Ochtends drinken we koffie bij mijn schoonouders in Breda. Daarna hebben we zin naar een museum te gaan. Maar het Breda’s Museum en MOTI blijken te fuseren en zijn voorlopig gesloten. Wat nu? Zo komen we op het idee naar Etten te gaan.

Na zijn mislukking als evangelist in de Borinage keerde Vincent van Gogh in het voorjaar van 1881 op 28-jarige leeftijd terug naar zijn ouders. Die woonden toen in Etten, waar zijn vader sinds 1875 dominee was.

In de kerk is sinds kort een permanente tentoonstelling ingericht. Daarin draait het om de eerste schreden als kunstenaar die Vincent van Gogh hier in Etten zette. Want direct na zijn aankomst ging hij aan de slag en tekende hij zijn eerste zaaiers, spitters en knotwilgen.

De tekeningen lukten niet altijd. Zelf zag hij dat ook. Hoe mooi is de observatie van zijn vriend Van Rappart, die over een zaaier schrijft: “’t Is geen man die zaait maar een man die poseert voor zaaier.” Vincent geeft Van Rappart gelijk en schrijft terug: “Over een jaar of een paar jaar, dan zal ik er pas toe komen om een zaaier die zaait te maken.”

De tentoonstelling laat zien wat er die acht maanden in Etten gebeurde, van de aankomst in april tot aan de knallende ruzie met kerst, toen Vincent door zijn vader het huis uit werd gezet.

Zeven jaar later in Arles raadde Paul Gauguin Vincent aan te schilderen vanuit de herinnering. Dat deed hij en hij maakte Herinnering aan de tuin in Etten. De afgebeelde vrouwen zijn zijn moeder en jongste zus Willemien. Het schilderij hangt in de Hermitage in Sint-Petersburg. Het wordt nooit uitgeleend en is daarom minder bekend.

Terug naar de kerk in Etten, deze stille woensdag in januari. De dame die ons de rondleiding geeft – andere bezoekers zijn er niet – is uiterst gedreven en behulpzaam en gaandeweg ontstaat een beeld van hoe het in Etten daadwerkelijk allemaal begon. Van de reproductie van de Herinnering aan de tuin in Etten zijn we alledrie even stil.

Vincent van Gogh. Ik kan er geen genoeg van krijgen.