Out of this world

fog-large

We drove up the mountain, towards the pass, the fog got thicker and thicker.

I had to stop the car, take a few pictures. It was out of this world, this Mediterranean fog in the heat of June.

What it says about me I don’t know, but I forgot to include the roots, the tree levitated.

It all made me think of the first line of Dante Alighieri:

In the middle of the journey of our life I came to myself within a dark wood where the straight way was lost.

A rootless tree in the fog — my contribution to this week’s WordPress challenge: Out of this world.

Irmgard

blijf-lachen-irmgard-large

Ik moet een jaar of negen, tien geweest zijn toen ik de boeken van Irmgard las.

Van de eerste, Blijf lachen Irmgard, was ik helemaal ondersteboven. Het gaat over Irmgard zelf die tuberculose krijgt en naar een sanatorium moet. Het boek verhaalt van het wel en wee daar, en vooral het wee — het sterven van haar medepatientje Josje — maakte enorme indruk.

Irmgard werd beter, mocht terug naar huis, schreef er dit boek over en werd zo op twaalfjarige leeftijd ‘Neerlands jongste schrijfster’. Het was 1966.

Er volgden nog negen boeken, zeven over haar eigen leven, twee over dat van een fictief meisje, Babs. Met Irmgards examenjaar kwam er een eind aan de reeks.

Het staat allemaal in m’n geheugen gegrift. De Pastoor Sartonstraat in Valkenburg waar ze woonde met haar ouders, broer Wim en zus Hedwig. De Geul die niet ver achter het huis stroomde. De vakanties op Terschelling, Ameland, Slagharen of Nijverdal. En de blijdschap als ze de Pastoor Sartonstraat dan weer inreden, bijna thuis.

Door Irmgard droomde ik ervan zelf schrijver te worden en door haar geïnspireerd ging ik aan het werk. Op de typemachine van mijn vader schreef ik een verhaal over vijf kinderen die een avontuur meemaken, helemaal in de geest van Enid Blyton, de kinderboekenschrijfster die ik ook al zo graag las.

Het verhaal speelde in Zuid-Limburg, net als de boeken van Irmgard. Er kwamen grotten in voor, net als die in Valkenburg. En het eindigde bij een van de kinderen thuis in Vaals, in een straat zoals ik me de Pastoor Sartonstraat voorstelde, compleet met fanfare die de straat binnenkwam.

Ik stuurde m’n boek naar Uitgeverij Westfriesland in Hoorn, waar ook de boeken van Irmgard waren verschenen, maar helaas, het werd afgewezen.

Toen ik vorig weekend in België was besloot ik op de terugweg langs Valkenburg te rijden. Eén keer eerder was ik in de Pastoor Sartonstraat geweest, tijdens een weekendje weg in Zuid-Limburg met het gezin, maar de kinderen waren nog klein, het was het moment niet voor een trip down memory lane.

Nu liep ik er, een straat van rijtjeshuizen en twee-onder-een-kapwoningen, ik wist alleen het huisnummer niet. Op het eind van de straat begon het voetgangersgebied en bij de HEMA ging ik koffiedrinken en zocht ik naar informatie.

Nu zou Irmgard een beroemdheid geweest zijn op YouTube of Instagram, maar de periode 1966-1974 was ver voor het internettijdperk, er is bijna niets over haar te vinden.

Ja toch, een foto uit het beeldarchief van Valkenburg, waarop ze lachend in de deuropening staat en drie meisjes, fans, te woord staat. Die ene foto — meer is er niet — brengt alles weer terug, de alledaagse gebeurtenissen die toch zo bijzonder waren, de blijdschap, de zorgen. Maar ook het plezier waarmee ik de boeken las, een onbeschreven blad nog.

En ja, nu ik het huisnummer gezien heb, op deze ene foto, weet ik wat me te doen staat. Ik breng m’n plateau met de koffiekop weg en stap naar buiten. Ik ga de Pastoor Sartonstraat weer in. Nu pas valt de confetti langs de stoeprand op, natuurlijk, het is carnaval geweest.

Een beetje nerveus ben ik, gek eigenlijk. En dan is het zover en sta ik voor het huis. Wat nu? Ik doe het enige wat ik kan bedenken en dat is een foto maken, terwijl ik besef dat het zich hier allemaal echt heeft afgespeeld, de gebeurtenissen in de boeken die ik met zoveel plezier gelezen heb.

Aan het begin van de Pastoor Sartonstraat kijk ik nog een keer om. Er is online nauwelijks iets te vinden over Irmgard. In een mini-interview uit 2005 neemt ze afstand van haar middelbare schooltijd, geschreven heeft ze daarna niet meer en ze lijkt niet aan haar periode als ‘Neerlands jongste schrijfster’ herinnerd te willen worden, ik weet niet waarom niet.

Ik plaats hier geen foto, omwille van de privacy die ze nog altijd lijkt te zoeken. Maar een foto van de cover kan wel, want op een plank in de boekenkast in onze werkkamer staan ze, cadeau gekregen van mijn zus die weet hoeveel ze voor me betekend hebben — de tien boeken van Irmgard Smits.

Meer informatie
Irmgard Smits (Wikipedia)

Honey

miel-de-salice-large

When I think about sweet, I think about honey, and when I think about honey, I think about my younger sister. She is a professional beekeeper in France.

I have had the chance to see from up close how honey is produced. Particularly impressive is the thick unfiltered substance that comes straight from the honeycombs.

It made me think about artists, writers, bloggers. The end result may look clean, but the raw material usually isn’t. Just like honey — my contribution to this week’s WordPress photo challenge: Sweet.

Read more
Miel de Salice

Cherry blossom

bloesempark-large

We live in Amstelveen, a municipality adjacent to Amsterdam and home to the largest Japanese community in the Netherlands.

At walking distance from the city centre but somewhat hidden lies the Bloesempark (‘blossom park’). The park’s 400 cherry trees were gifted to the city by the members of the Japanese Women’s Club. Funny detail; all trees have names, female that is, 200 Japanese, 200 Dutch.

Every year in spring, the Cherry Blossom Festival is celebrated here. Japanese and other citizens gather beneath the blossoming cherry trees to celebrate hanami, ‘flower viewing’.

Easily overlooked, the Bloesempark is a real gem. If you ask me, it’s by far the most beautiful spot in Amstelveen. If you happen to visit Amsterdam in April, definitely worth a tour!

Beloved

jacques-aubrun-large

In the early eighties we spent two summer vacations at the Loire, in the former home of the painter Jacques Aubrun.

In the dusty atelier with the large windows, a ping pong table stood between dozens, maybe hundreds of paintings. We had to fetch the balls from behind the frames.

As a souvenir my parents bought a few drawings and one of them is hanging in our living room. It reminds me of Vincent van Gogh, and of those summer vacations in which we children, inspired by Jacques Aubrun, felt as artists to be.

This memory is my contribution to this week’s WordPress photo challenge: Beloved.