Rolfilm

la-cour-marigny-medium

Mijn allereerste foto’s heb ik gemaakt met een heel ouderwetse boxcamera.

Dat jaar brachten we de zomervakantie door in een schilderachtig huis aan de Loire. Van mijn vader had ik geld gekregen om een rolfilm te kopen. Ik was toen twaalf jaar.

Oh, wat een zelfbeheersing. Hoeveel opnames zaten er op mijn rolfilm? Acht? Twaalf? Het nemen van een foto vereiste dus volledige voorbereiding en de concentratie op ‘het’ moment grenste aan magie.

Dit is een van die eerste foto’s.

De ééndimensionale mens

de-eendimensionale-mens-medium

Dit boek was zo goedkoop geplakt dat het vanzelf in stukken uit elkaar viel.

De erbarmelijke zwart-witfoto op de achterkant kan ik zo voor mijn geestesoog laten verschijnen. Op die foto ligt de eerbiedwaardige Marcuse in een tuin een boek te lezen.

Destijds (in 1988, het boek zelf dateert uit 1964) vond ik het een fascinerend beeld: ééndimensionale mens, mens die alleen in het nu leeft, die geen toekomst heeft, die zich helemaal niet om een toekomst bekommert.

Die mens, dat zijn wij natuurlijk. Wij kunnen ‘heel’ worden door het inzicht dat er naast het ‘zijn’ nog een tweede dimensie is: die van het ‘worden’.

De ééndimensionale mens was toen al onleesbaar. Wat is het toch moeilijk om helder te schrijven.

Of zegt het alleen iets over mijzelf: dat ik die beroerde foto van een oude man met zijn boek in een tuin nog steeds voor me zie, maar dat behalve het woordje ‘rommel’ op pagina één (Marcuse heeft het over vernietigingswapens) mijn geheugen voor de rest van de tekst blanco is.

De oude kerktoren in Nuenen

de-oude-kerktoren-te-nuenen-medium

Al tijdens mijn eerste bezoek aan Nuenen raakte ik in de ban van dit Brabantse dorp.

Op een gegeven moment stond ik in de regen voor een hek van goedkoop gaas, dat om een onooglijk stukje groen was neergezet. Groen dat ingeklemd werd tussen een drukke kruising en een nieuwbouwwijk.

Op dat schijnbaar zinloos omheinde stukje grond stonden her en der wat bomen. Aan de zijkant wat oude zerken aan weerszijden van een paar paden. Een heel kleine begraafplaats die Tomakker heet.

Op deze plek, lees ik op een bord, stond de oude kerktoren van Nuenen. De toren werd afgebroken in 1885. Vincent van Gogh woonde toen bij zijn ouders in Nuenen. Hier op de Tomakker ligt ook het graf van Vincent’s vader Theodorus, die dominee was in Nuenen en in 1885 stierf.

Nuenen had de herinnering aan de oude kerktoren niet beter kunnen bewaren.

Weronika – Véronique

Onlangs zag ik de film La double vie de Véronique weer. Ik heb hem destijds in de bioscoop gezien, in 1991 (of was het 1992). Twee keer zelfs, omdat ik hem zo mooi vond.

Wat een vreemde ervaring! Hoe is het mogelijk dat Weronika’s tante en Véronique’s vader, aan wie ik in vijftien jaar geen enkele gedachte gewijd heb, mij op slag weer vertrouwd zijn alsof ik hen mijn hele leven al ken?

En wat merkwaardig om die ene scène terug te zien. De camera begint te tollen en er gebeurt iets met het geluid als Weronika’s ziel ontsnapt aan het lichaam dat levenloos neervalt op het podium.

Ziel die later op onnavolgbare wijze ingeblazen lijkt te worden in een marionet die tot leven komt uit een kistje. De schoolkinderen in het verduisterde zaaltje strekken hun nekken en Véronique, die tussen hen in zit, is net zo gebiologeerd als wij door het wonder dat zich voor onze ogen voltrekt.

“Wat is je passie?”

Dat vroeg mijn coach bij mijn vorige werkgever me ongeveer een jaar geleden. Het was tijdens één van onze eerste gesprekken. Uh… Stilte.

Ook al vond ik het een lastige vraag, het woord passie zelfs een beetje irritant – hoezo, passie? – toch schoot me wel iets te binnen. Ik sprak het niet uit. Het bleef dus stil. En het gesprek ging verder over iets anders.

Wat is je passie?

Die vraag heeft me sindsdien niet meer losgelaten.